Hoe natuurlijk kun je eten?

Doorgaans eet ik best natuurlijk: voedsel zonder chemicaliën, kleurstoffen en wat dies meer zij. Toch fantaseer ik wel eens over een maaltijd samengesteld uit bestanddelen die nóg dichter bij de natuur staan.

Je hoeft niet in een niemandsland te wonen om je eigen voedsel te rapen, plukken of knippen. En dan heb ik het niet over ‘basic’ eten als brandnetels en paardenbloemblad (molsla). Hoewel het zeker mogelijk is deze onkruidsoorten te gebruiken in een waar fijnproeversgerecht, ben ik meer op zoek naar natuuringrediënten met een betere smaak van zichzelf.

Deze lente heb ik daslook ontdekt, gewoon in het Bergse Bos. Dat dit smakelijke kruid wettelijk is beschermd, was mij welbekend; toch heb ik een bosje geplukt en verwerkt tot pesto. Veroordeelt u mij niet meteen, beste lezer, want er waren verzachtende omstandigheden. Het daslook groeide in enorme hoeveelheden, honderden meters ging het door. Vanzelfsprekend heb ik de wortels laten zitten. Ook heb ik niet méér geplukt dan ik nodig had. Ten slotte zal ik het nooit meer doen. Overigens moet je daslook na de bloei niet meer eten, omdat het dan giftig is.

Bramen pluk ik al sinds mijn kindertijd, van eind juli tot soms begin september, waar ik ze maar tegenkom, en dat is echt ‘overal’. Hoewel het jammer is dat de lekkerste bramen altijd op onbereikbare plaatsen zitten, is een handjevol smakelijke bramen op een doorsneewandeling wel te vinden. Bramen laten zich prima zo eten, of verwerken tot jam of gelei.

Wat je ook veel aantreft in de stad is de vlierstruik. In juni en juli kun je van de bloesem heerlijke siroop maken of de bloemen frituren voor een stijlvolle garnituur. Was de bloemschermen zeer goed in ruim water want ze kunnen vol insecten zitten. Een paar maanden later ga je naar dezelfde struiken voor de bessen; maak hier jam, gelei of chutney van.

Voor de exclusievere duindoornbessen moet je een stukje reizen, bijvoorbeeld naar de duinen van Hoek van Holland. Het zal een heidens karwei zijn om de besjes te verzamelen, maar de jam die je ervan maakt loont die moeite beslist.

Ook voor gratis noten kun je terecht in de stad. Dat weet ik want al tweemaal heb ik van een stadsgenoot een zak geraapte noten mogen ontvangen: hazelnoten en walnoten. Verse walnoten laten zich lange tijd bewaren en smaken stukken beter dan de gepelde variant uit de winkel. Rooster eens wat vers gekraakte walnoten en strooi ze over spaghetti van harde tarwe die je mengt met knoflook en gebakken blokjes gele of oranje paprika. Breng het geheel op smaak met zeezout en peper uit de molen en schenk er een scheutje olijfolie extra vierge over. Geef er een salade bij.

Ten slotte zijn er nog enkele puur-natuurhapjes die ik graag zou treffen. Het eerste is het bosaardbeitje (Fragaria vesca), zoet en aromatisch van smaak. Het groeit vooral in bosgebieden, met witte bloempjes. Maar hoe ik ook loop te speuren, al wat ik tegenkom is de sterk op de bosaardbei gelijkende schijnaardbei (Potentilla indica), die met gele bloempjes bloeit en smakeloze vruchtjes draagt.

Ook de reuzenbovist (giant puffball) heeft mijn belangstelling, een witte paddenstoel in de vorm van een bal die ik jarenlang met grote regelmaat in het Lage Bergse Bos aantrof. Vanaf het moment dat ik weet dat hij eetbaar is, heb ik hem echter nooit meer gezien.
naar boven